BLOEMBOLLENSECTOR IN NEDERLAND
DE EERSTE BOLLEN
Denk je aan tulpen, dan denk je aan Nederland. Toch komen deze planten oorspronkelijk uit centraal Azië De Turken kweekten deze bloembollen al voor de Nederlanders. Toen aan het einde van de zestiende eeuw de eerste tulpenbollen in Nederland geplant werden, duurde het niet lang voordat de tulp beroemd werd. Professionele telers zagen een gouden toekomst voor de plant en er ontstond een levendige bloembollenhandel. De tulp werd zelfs als een goede belegging gezien en dit leidde tot wilde speculaties, de zogeheten tulpenwindhandel of ook wel Tulpomanie genaamd.
Het liep zo uit de hand dat de regering moest ingrijpen: binnen 24 uur stortte de tulpenmarkt in. Niet alleen de tulp maar de meeste bolgewassen komen van ver buiten Nederland. Zo komt de dahlia uit Mexico en de amaryllis (Hippeastrum) uit Zuid-Amerika. De freesia en de calla (Zantedeschia) stammen weer uit Zuid-Afrika. Het gunstige klimaat en het grote vakmanschap zorgden ervoor dat de bloembollenteelt zich in Nederland steeds verder ontwikkelde. Steeds nieuwe vormen en kleuren werden gekweekt. Erg tot de verbeelding spreken de verwoede pogingen van Nederlandse telers om de 'zwarte tulp' kweken. Met tulpen als 'Queen of Night' en 'Black Parrot' zijn ze hun doel dicht genaderd.
Belangrijke factoren voor het met succes telen van bloembollen zijn altijd onderzoek, vakmanschap, voorlichting en kennisuitwisseling geweest. Dat dit vruchten heeft afgeworpen mag duidelijk zijn. Het huidige aanbod bloembollen in Nederland bestaat uit bloemen in vrijwel alle denkbare geuren, kleuren en vormen. Bloembollen en bloemen, het handelsmerk van Nederland, vinden ieder jaar hun weg naar ontelbare bestemmingen over de gehele wereld.
PRODUCTIE-UITBREIDING
In de zestiende eeuw was de commerciële bloembollenteelt grotendeels geconcentreerd rond Haarlem. Later breidde de bloembollenproductie zich vooral uit naar het zuiden. Het gebied dat zich nu uitstrekt tussen Haarlem en Leiden werd uiteindelijk bekend als De Bollenstreek, waarin Lisse centraal ligt. Ook nu nog speelt het belangrijkste gedeelte van de bloembollenhandel zich in die regio af. De teelt heeft zich in de loop der jaren echter steeds verder verspreid over Nederland. De voorjaarsbloeiende bloembollen worden vooral in de kustprovincies geteeld. De zomerbloeiende lelies en gladiolen ook meer in het oosten van Nederland. Noord-Holland is verreweg de belangrijkste provincie voor de productie van bloembollen.
In de afgelopen decennia is het productieareaal in Nederland sterk gegroeid. Van 10.000 hectare in 1960 naar ruim 22.000 hectare in 2003. Daar staat een afname van het aantal telers tegenover. In de zestiger jaren waren er 13.000 bollentelers, in 2003 zijn daar nog maar 2500 van over. De oppervlakte per bedrijf is dan ook gestegen. Van 1 hectare in 1960 tot 9 ha. in 2003. Dit is uitsluitend te danken aan verregaande professionalisering, schaalvergroting en mechanisatie die in de teelt hebben plaatsgehad.
De bloembollensector biedt werk aan ± 14.000 mensen. Daarbij komen de seizoenmedewerkers op wie in de arbeidsintensieve zomer-, herfst- en wintermaanden ieder jaar weer een beroep wordt gedaan.
BOLLEN EN KNOLLEN
De bloembollenteelt omvat de teelt van bloembollen en knollen. Bij bloembollen is het reservevoedsel opgeslagen in zogenaamde rokken of schubben. Dit zijn bladachtige delen van het ondergrondse opslagorgaan. Voorbeelden van bollen zijn: tulp, hyacint, iris, lelie en narcis. Bij knollen zit het reservevoedsel in ondergrondse stengel- of worteldelen. Gladiolen, dahlia s en crocussen zijn de meest bekende knollen.
|